Welke eisen worden er aan een goed hondenvoer gesteld?

Er zijn allerlei kreten bekend over hondenvoeding, daarom lijkt het ons goed om duidelijk aan te geven aan welke eisen een volledig droogvoer voor honden moet voldoen.

In deze informatie wordt gesproken over voedingsstoffen en grondstoffen.

Om misverstanden te voorkomen: grondstoffen zijn de producten waaruit het voer is samengesteld. Voedingsstoffen zijn de stoffen die bij de vertering van deze producten vrijkomen en door de hond worden opgenomen.

  1. Het voer moet door de hond blijvend graag worden gegeten.
  2. Het voer moet in balans zijn, dit houdt in dat alle voedings- en andere stoffen in het voer met elkaar in evenwicht moeten zijn en vooral zijn afgestemd op de totale behoeftes van de hond en dit betekent;
  3. Dat het voer moet zijn samengesteld volgens de richtlijnen van de laatste Nutrient Requirements of Dogs, van het Committee on Animal Nutrition. Dit zijn de laatste, wetenschappelijk bewezen en internationaal erkende normen voor hondenvoeders.
  4. Het voer moet vrij zijn van chemische antioxidanten (Ethoxyquine, BHT en/of BHA) en conserveringsmiddelen, welke bij gebruik van zuivere grondstoffen beslist overbodig zijn. Vooral de antioxidant Ethoxyquine is op lange termijn zeer schadelijk voor de honden.
  5. Het voer moet vrij zijn van soja- en graanafvalprodukten, daar deze o.a. veel fytaten bevatten.
  6. Het voer mag geen destructiematerialen bevatten, afkomstig van gestorven en/of geëuthaniseerde dieren (sinds 1998 in de hele EU verboden, daarbuiten veelal nog toegestaan). 
  7. Het voer moet per kg droge stof zo veel mogelijk makkelijk verteerbare energie bevatten.

• Ad 1.

Het voer moet blijvend door de hond met graagte worden gegeten, opdat hij/zij, steeds opnieuw, datgene binnenkrijgt wat noodzakelijk is voor een optimaal functioneren, ook op langere termijn. Dit houdt in dat de geur en de smaak van het voer, voor de hond bepalend is of er wel of niet voldoende van gegeten wordt en of hij of zij het voer ook op langere termijn nog erg lekker blijft vinden. Dit moet bereikt worden zonder gebruik te maken van geur en smaakstoffen, omdat deze op langere termijn een voedseltegenzin kunnen veroorzaken. Dit komt omdat een hond niet het voer in z'n totaliteit ruikt en proeft, maar iedere grondstof apart.

Bovendien is vanuit de humane geneeskunde bekend dat bijvoorbeeld kinderen, qua karakter, nogal eens negatief kunnen reageren op kleur-, geur en smaakstoffen. Hoe dit zit bij onze honden is tot op heden nog onvoldoende onderzocht. Vandaar dat het voer, ook qua geur en smaak, van die kwaliteit moet zijn, dat geen geur- en smaakstoffen nodig zijn. Dit is alleen te bereiken door gebruik te maken van zuivere grondstoffen die, ook in combinatie, een goede geur en smaak garanderen.

Nota Bene:

Het kan voorkomen dat, wanneer een hond altijd een voer gehad heeft met geur- en/of smaakstoffen, de hond in het begin moeite heeft met een voer dat een natuurlijke geur en smaak heeft. Wanneer dit het geval is, kunt u het beste een paar dagen alleen maar een pens kompleet versvleesvoer geven voordat u overstapt.

Het komt regelmatig voor dat de honden in het begin zeer veel eten van een optimaal voer om de aanwezige tekorten (hoofdzakelijk sporenelementen en bepaalde aminozuren) aan te vullen. Hierdoor nemen ze dan ook meer energie op dan ze feitelijk nodig hebben. Zodra ze hun tekorten hebben aangevuld (behoeftes weer in evenwicht) gaan ze tijdelijk minder of zelfs helemaal niet eten. Na een tijdje eten ze weer normaal.

• Ad 2.

Het voer moet biologisch in balans zijn. Hieronder wordt verstaan dat alle voedings- en andere stoffen in de juiste verhouding tot elkaar in iedere maaltijd en dus in het voer aanwezig moeten zijn.

Bovendien moeten deze zoveel mogelijk met de lichaamsbouwstoffen van de hond overeenkomen. Daar de hond een zgn. "Energie-eter" is, wat betekent dat de hoeveelheid voedsel dat de hond eet afhankelijk is van de hoeveelheid energie die dat voedsel bevat, moeten alle voedings- en andere stoffen in evenwicht zijn met de hoeveelheid energie in het voer.

De voedingsstoffen worden in eerste instantie verdeeld in vier hoofdgroepen, te weten;

  • A. Eiwitten
  • B. Vetten
  • C. Koolhydraten
  • D. Vitaminen, Mineralen en Sporenelementen.

• A. EIWITTEN:

Eiwitten zijn van essentieel belang voor het totale functioneren van het lichaam. Eiwitten komen voor in iedere lichaamscel, als fundamenteel bestanddeel van het protoplasma (de inhoud van de cellen). Een belangrijke voorwaarde voor eiwitten is, dat ze in hun opbouw aan zeer functiespecifieke eisen moeten voldoen. De belangrijkste functies van de eiwitten in het lichaam zijn; hun katalysatorische werking (enzymen), hun regulerende functies (hormonen), hun afweerfunctie (antistoffen) en niet te vergeten, hun rol in opbouw en functioneren van het lichaam (spieren, huid, haren enz.). Omdat eiwitten een zeer belangrijk component van het lichaam van de hond vormen (spieren) en het totale functioneren van dat lichaam (stofwisseling) onder andere sterk afhankelijk is van de beschikbaarheid van de juiste eiwitten, betekent dit dat een bepaald percentage van het voedsel uit eiwitten moet bestaan.

Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Elk eiwit heeft zijn eigen kenmerkende structuur, de zogenaamde aminozuurketen, waarbij het aantal en de onderlinge volgorde in de keten verschillend zijn. Deze aminozuren worden weer onderverdeeld in essentiële (noodzakelijke) en niet essentiële aminozuren. De essentiële zijn: Arginine, Histidine, Isoleucine, Leucine, Lysine, Metheonine- cystine, Phenylalanine-tyrosine, Threonine, Tryptophaan en Valine. Van ieder essentieel aminozuur moet een bepaalde minimumhoeveelheid in het voer aanwezig zijn, daar de hond deze niet zelf, uit andere aminozuren kan aanmaken. Dit in tegenstelling tot de niet essentiële. Vandaar dat de waarde (de zogenaamde biologische waarde) per eenheid eiwit wordt bepaald door de hoeveelheid essentiële aminozuren in relatie tot hun onderlinge verhouding.

Uiteindelijk bepaalt het essentiële aminozuur dat het minst aanwezig is per eenheid eiwit de waarde van het eiwit voor de hond (de wet van het minimum). Omdat de eiwitbehoefte van de hond wordt bepaald door de behoefte aan essentiële aminozuren, wordt het benodigde eiwitgehalte van het voer niet bepaald door de hoeveelheid eiwit, maar door de biologische waarde van het gebruikte eiwit. Dus hoe hoger de biologische waarde, hoe minder de hond hiervan nodig heeft, en omgekeerd. Bovendien moet de hoeveelheid eiwit in evenwicht zijn met de hoeveelheid energie in het voer. Dit houdt in, dat het eiwitgehalte van het voer nooit als absoluut getal gezien mag worden.

Bijvoorbeeld: Een hond van 35 kg. heeft per dag nodig ca. 1900 Kcal. en krijgt dan aan eiwit per dag, bij;

Voer A. met 4200 Kcal/kg en 24 % eiwit: krijgt de hond 1900/4200 = 452 gr x 24 % = 109 gram.
Voer B. met 3600 Kcal/kg en 24 % eiwit: krijgt de hond 1900/3600 = 528 gr x 24 % = 127 gram .
Voer C. met 4200 Kcal/kg en 30 % eiwit: krijgt de hond 1900/4200 = 452 gr x 30 % = 136 gram.
Voer D. met 3600 Kcal/kg en 30 % eiwit: krijgt de hond 1900/3600 = 528 gr x 30 % = 158 gram.

(Kcal/kg: de hoeveelheid energie per kg voer).

Vanuit het vorige zal u duidelijk zijn dat wij niet spreken over het absolute eiwitgehalte van een voer, maar over de zgn. eiwitfractie. Dit is het percentage van de totale energie in het voer dat door het eiwit wordt geleverd.

En dit kan men als volgt berekenen.

Bijvoorbeeld:

Op de verpakking staat vermeld: "Eiwit 24%, Vet 7%, Celstof 3%, As 7%, Vocht 10%".
Samen is dit 51% van het voer, het restant, 100- 51= 49%, zijn de overige koolhydraten (OK).

1 gram eiwit levert ca. 4 Kcal, 1 gram vet ca. 9 Kcal en 1 gram overige koolhydraten ca. 4 Kcal.

De totale energie per kg is dan de som van:

Eiwit 24% = 240 gram x 4 =   960 Kcal.
Vet 7% = 70 gram x 9 =   630 Kcal.
Overige koolhydraten 49% = 490 gram x 4 =  1960 Kcal.
Totaal energie/kg:
  3550 Kcal.

 

De eiwitfractie is dan:

Energiegehalte uit eiwit = 960 Kcal gedeeld door de totale energie = 3550 Kcal x 100.
Dus 960 / 3550 = 0,2705 x 100 = 27,05%.

De eiwitfraktie bij droog voer is ideaal rond de 22 - 25% bij hoogwaardige eiwitgrondstoffen en mag maximaal 27% bedragen bij pups en opgroeiende honden, anders wordt de stofwisseling (lever) teveel belast. Indien het eiwitgehalte (totaal aan aminozuren) van een voer hoger is, dan de hond nodig heeft kan dit zeer nare gevolgen hebben voor de hond. Men kan dan denken aan: door totaal teveel eiwitgebruik of dat er, vanwege een matige eiwitkwaliteit, te veel eiwit nodig is om de behoefte aan essentiële aminozuren te dekken. Bij opgroeiende honden wordt de groeisnelheid hierdoor beïnvloed. Jonge honden groeien bijvoorbeeld te snel en onregelmatig. Heel vaak hebben de honden dan last van groeipijnen. De opname van andere stoffen zoals kalk en dergelijke blijft achter, waardoor botafwijkingen ontstaan. Deze kunnen weer leiden tot andere afwijkingen en/of erfelijke gebreken versterken, zoals bijvoorbeeld heupdysplasie, karperrug, koehakkigheid en dergelijke.

Omdat het overtollige en/of niet bruikbare eiwit, in de vorm van aminozuren, toch via de bloedbaan in het lichaam terechtkomt, moet dit in de lever worden afgebroken tot ureum en dan door de nieren worden uitgefilterd. Met andere woorden; De lever en de nieren moeten "overuren draaien" om een eiwitvergiftiging te voorkomen, wat een extra belasting van deze organen betekent. Vooral bij jonge honden kan deze extra belasting funest zijn (wat vooral op latere leeftijd duidelijk wordt), omdat de organen, evenals het totale lichaam, nog volop in ontwikkeling zijn en dus nog niet op volle capaciteit kunnen werken.

Bovendien moeten bij jonge honden deze organen reeds veel meer verwerken dan later als volwassen hond, omdat hun voedingsbehoefte/-opname per kilogram lichaamsgewicht ongeveer twee maal zo hoog ligt dan later. Men ziet dan ook vaak dat, wanneer een voer gegeven wordt met een te hoge eiwitfractie (veel van de zogenaamde puppybrokken) en/of een matige eiwitkwaliteit, de lever het “ontgiften” niet volledig kan bolwerken. Er ontstaan dan rode pukkeltjes met witte kopjes op de weke huiddelen (buik en liesstreek). De huid wordt dan gebruikt als extra uitscheidingsorgaan. Hierdoor ontstaan in een vroeg stadium reeds veel huidklachten. Bovendien zijn dit dan de kandidaten die later, in de tweede helft van hun leven, van de dierenarts het advies krijgen om een dieet of seniorenvoer te gaan gebruiken (omdat de lever en/of nieren het allemaal niet meer aankunnen).

Vanuit het voorgaande zal u duidelijk zijn waarom er aan de keuze, de hoeveelheid en de kwaliteit van de grondstoffen die het eiwit leveren, de uiterste zorg moet worden besteed. Alleen grondstoffen met een hoge biologische waarde en met een kwaliteit die ook in de humane voedingssector wordt geëist, komen hiervoor in aanmerking.

• B. VETTEN:

Vetten vormen een geconcentreerde vorm van energie en zijn belangrijk voor de werking van de spieren (beweging) en de lichaamsorganen. Tevens dient deze energie voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur. Evenals bij eiwitten de aminozuren, is bij vetten het gehalte aan essentiële vetzuren belangrijk. Deze zijn: Linolzuur, Arachidonzuur en Linoleenzuur.

Indien er voldoende Linolzuur in het voedsel aanwezig is worden Arachidon- en Linoleenzuur minder essentieel, omdat deze dan gevormd kunnen worden uit Linolzuur. Deze zijn dus eigenlijk semi-essentieel. Indien het voedsel te weinig essentiële vetzuren bevat, komen er storingen in de diverse lichaamsfuncties, zoals de werking van de lichaamscellen en de opbouw en het onderhoud van de huid.

Evenals essentiële vetzuren is ook lecithine een noodzakelijk onderdeel van het vet. Het werkt als een soort emulgator, zonder welke de diverse vetzuren niet goed door het lichaam getransporteerd kunnen worden. Dus lecithine is geen extra, maar een noodzakelijke grondstof die in geen enkel hondenvoer mag ontbreken.

Omdat vet voor de hond de gemakkelijkste energiebron is, waarbij (bij de vertering) de organen het minst worden belast, moet een droogvoer zoveel mogelijk vet bevatten. Vanzelfsprekend moeten dit dan wel zuivere vetten zijn, welke niet hoger verhit zijn geweest dan 90 °C. Deze vindt men alleen in de humane voedingssector.

De zogenaamde droge-smeltvetten zijn te sterk verhit geweest (120 - 180 °C) en bevatten teveel vrije vetzuren en polymeren. Vrije vetzuren en polymeren belasten de stofwisseling (lever) en hebben onder andere een negatieve invloed op de gezondheid van de huid, daar deze zich bij overmaat in de huid opslaan.

• C. KOOLHYDRATEN:

Koolhydraten zijn suikers en zetmelen, en deze dienen, naast de vetten, voor de energievoorziening en zijn hoofdzakelijk afkomstig van granen. Koolhydraten zijn net als eiwitten en vetten essentieel voor de gezondheid van de hond (dit in tegenstelling tot de katachtigen). Vanwege het feit dat het darmkanaal van de hond zeer kort is, moeten de grondstoffen die de koolhydraten leveren voorverteerd worden. Dit gebeurt door zgn. ontsluiten (vergelijkbaar met koken).

Men kan ook het voer, wanneer het gereed is, in zijn geheel extruderen, maar daarbij bestaat het gevaar dat de eiwitten, vetten en hittegevoelige vitaminen worden aangetast. Vooral vetten en de vitaminen hebben sterk te lijden door de verhitting boven 100 °C. Vandaar dat het ons inziens beter is om de granen vooraf te ontsluiten, om ze daarna in voorgekookte vorm in de totale samenstelling te verwerken en dan het totaal te persen in plaats van te extruderen.

• D. VITAMINEN, MINERALEN EN SPORENELEMENTEN;

Naast de eiwitten, vetten en koolhydraten zijn kleine hoeveelheden mineralen, vitaminen en sporenelementen noodzakelijk. Al deze stoffen moeten met elkaar in evenwicht zijn. Indien van een bepaalde stof te weinig in het voer aanwezig is treden er gebrekverschijnselen op, niet alleen verschijnselen die te maken hebben met het tekort aan die stof, maar ook aan andere. Dit heeft te maken met het feit dat door het tekort aan het ene, het andere niet opgenomen kan worden. Voorbeelden daarvan zijn vitamine E en selenium, fosfor en vitamine D3, eiwitten en de vitamines B6, B12, Niacine enzovoort.

Ook wanneer er teveel van het ene is, kan soms het andere niet opgenomen worden, omdat dit door het "teveel" wordt gebonden.

Sommige vitamines, speciaal van de B-groep zijn gevoelig voor verhitting. Dit is één van de redenen waarom het beter is om een voer niet te extruderen. Een tussentijds verliezen van trosjes haren is terug te voeren op de beschadiging van hittegevoelige vitamines bij een geëxtrudeerd voer.

• Ad 3.

Het voer moet zijn samengesteld volgens de richtlijnen van de Nutrient Requirements of Dogs. Vanuit de hele wereld vindt er een uitwisseling plaats van wetenschappelijke onderzoekgegevens, betreffende hondenvoeding. Om de zoveel tijd worden de uitkomsten van de diverse onderzoeken besproken, gebundeld en in richtlijnen omgezet. Dit gebeurt door het “Committee on Animal Nutrition” (waarbij de uitgave voor hondenvoeding de naam "Nutrient Requirements of Dogs" heeft). Vandaar dat een hondenvoer moet zijn samengesteld volgens deze richtlijnen.
 

• Ad 4.

Het voer moet vrij zijn van toegevoegde antioxidanten en conserveringsmiddelen. Antioxidanten zijn in hoofdzaak bedoeld om de houdbaarheid van een "voer" te verlengen, speciaal van de vetten (om ranzig worden te voorkomen). De meest bekende antioxidanten zijn; BHT, BHA en Ethoxyquine, waarvan de laatste de gevaarlijkste is (landbouwgif).

Ethoxyquine is te vergelijken met een sluipmoordenaar: Het is zeker dat hij komt, men weet alleen niet wanneer! Kijk dus goed op de verpakking, vooral bij dieetvoeders.

Antioxidanten zijn, wanneer goede grondstoffen worden gebruikt en de vitaminen deskundig worden verwerkt, overbodige stoffen, althans in hondenvoeding. Bij goede vetten en hoogwaardige dierlijke eiwitten, zijn de redox- eigenschappen van de in vet oplosbare vitaminen voldoende om een lange houdbaarheid te garanderen. Als zekerheid wordt er dan, net als bij humane voeding, aan een goed hondenvoer, extra vitamine E en C toegevoegd, welke bij een overschot het lichaam via de urine ongebruikt verlaten.

Het gevaar van het gebruik van antioxidanten schuilt hierin, dat deze de stofwisselingsactiviteit sterk kunnen beïnvloeden. Deze beïnvloeding kan ernstige afwijkingen veroorzaken, welke op het laatst zichtbaar worden via huid- en vachtproblemen.

Aangezien de huid/vacht de "SPIEGEL DER GEZONDHEID" wordt genoemd, behoeft dit verder geen betoog.

Conserveringsmiddelen zijn stoffen die schimmelgroei tegen gaan. Soms staat er op verpakkingen “bevat geen conserveringsmiddelen” en daarmee wordt de indruk gewekt dat er geen antioxidanten in het voer verwerkt zijn. Doch antioxidanten en conserveringsmiddelen zijn twee heel verschillende zaken.

Indien er op de verpakking staat vermeld “met in de EEG toegestane antioxidant” zonder dat daarbij de naam van de antioxidant wordt vermeld, kunt u er vrijwel zeker van zijn dat de maximaal toegelaten hoeveelheid (150 mg/kg) is toegevoegd. Heel vaak verbergt zich dan achter deze vermelding 150 mg/kg Ethoxyquine.

Onder andere vanwege het voorgaande, moet men kiezen voor grondstoffen, waaraan dezelfde eisen worden gesteld als aan producten bestemd voor menselijke consumptie (ook al zijn deze veel duurder), waardoor onder andere het gebruik van chemische antioxidanten en conserverings-middelen overbodig is.

• Ad 5.

Het voer moet vrij zijn van eiwitten afkomstig van sojaproducten en/of andere bonensoorten, omdat deze zgn. Fytaten (fytine- en/of oxaalzuur) bevatten. Deze remmen de resorptie, c.q. de opname van onder andere eiwitten, kalk, ijzer, zink, magnesium en dergelijke. Vooral tijdens de groeiperiode ziet men dit, naast een verkeerde eiwitbalans en matige grondstoffen, als één van de oorzaken van karperrug, koehakkigheid, franse stand, doorgezakte voeten en dergelijke.

Natuurlijk zijn er ook erfelijke factoren die dergelijke afwijkingen kunnen veroorzaken, doch datgene wat men via voeding in de hand zou kunnen houden, moet men niet nalaten te doen. Ook al zijn bepaalde afwijkingen erfelijk aanwezig, de dagelijkse voeding (vooral tijdens de groei) bepaalt vaak of deze afwijking zich later manifesteert en zo ja, in welke mate.

• Ad 6.

Het voer moet vrij zijn van destructiematerialen, vanwege het simpele feit dat bij het gebruik van deze materialen antioxidanten gebruikt moeten worden. (Destructiemateriaal mag sinds 1998 in de EU niet meer worden gebruikt in diervoeding, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Canada, Azië en Oost-Europa).

• Ad 7.

Het voer moet per kilogram droge stof zoveel mogelijk energie (Kcal.) bevatten. Omdat de hond een zogenaamde "Energie-eter" is, eet de hond zoveel tot aan de energiebehoefte is voldaan. Dus met andere woorden, ook de opname van andere (voedings)stoffen is afhankelijk van de hoeveelheid energie in dat bepaalde voer.

Ook wanneer een voer goed in balans is, maar per kilogram minder energie bevat, moet de hond hiervan meer opnemen. Dit houdt in dat de hond ook meer ballaststoffen te verwerken krijgt. Deze ballaststoffen moeten ook allemaal door de organen worden verwerkt. Hierdoor worden deze organen extra belast, wat vooral voor jonge honden een probleem kan zijn, daar ook de organen nog volop in ontwikkeling zijn en daardoor nog niet op volle capaciteit werken.

Bovendien hebben jonge honden per kilogram lichaamsgewicht dubbel zoveel voer nodig als een volwassen hond. Behalve voor jonge honden geldt dit punt ook zeker voor honden waarvan een extra belasting wordt gevraagd, waardoor de voedingsbehoefte stijgt, zoals: werkende honden, drachtige en zogende teven.

Wanneer gebruik gemaakt wordt van grondstoffen, waaraan dezelfde kwaliteitseisen worden gesteld als aan producten bestemd voor menselijke consumptie, heeft dit tot gevolg dat het energiegehalte per kilogram voer zeer hoog kan liggen. Namelijk op een gebruikswaarde van meer dan 4000 Kcal per kilogram voer.

(c) ing. Gerrit de Weerd - Farm Food BV